Calculatie

De calculatie-app gebruiken

Een berekening uitvoeren

  1. Wanneer je de Calculatie applicatie kiest bevindt de cursor zich in de bewerkingsbalk onderaan het scherm. Voer je berekening in deze bewerkingsbalk in.
  2. Druk op de exe toets om de bereking uit te voeren.

Wanneer een berekening is uitgevoerd wordt deze onderaan de berekeningsgeschiedenis weergegeven. In de betreffende geschiedenis-regel zie je linksboven de berekening die je hebt ingevoerd en rechtsonder het resultaat. Het exacte resultaat wordt in het zwart weergegeven, terwijl het numerieke resultaat bij benadering in het grijs wordt weergegeven.

Input met decimale getallen geeft ook exacte resultaten. Selecteer het decimale resultaat om het exacte resultaat weer te geven.

Voor een betere leesbaarheid wordt het resultaat van een berekening met een decimaal getal altijd in decimale vorm gegeven: 0.1+0.30.1+0.3 geeft 0.40.4, terwijl 110+310\frac{1}{10}+\frac{3}{10} geeft 25\frac{2}{5}.

Het resultaat van de direct voorafgaande berekening gebruiken

Je kunt het exacte resultaat van de berekening die je zojuist hebt uitgevoerd gebruiken in de uitdrukking van een nieuwe berekening. Druk hiervoor op (ATTENTION -> THE ANS BUTTON IS MISSING HERE). De uitdrukking ans wordt dan weergegeven in de bewerkingsregel en vertegenwoordigd het resultaat van de vorige berekening. Je kunt op dit resultaat wiskundige bewerkingen uitvoeren.

Een willekeurig resultaat in de berekeningsgeschiedenis gebruiken

Om een vorig resultaat naar de bewerkingsbalk te kopiëren selecteer je met de richtingtoetsen het resultaat dat je wilt gebruiken (exact of bij benadering) en druk je op ok. Het resultaat wordt vervolgens weergegeven in de bewerkingsbalk onderin het scherm.

Gebruik maken van een uitdrukking van een uitgevoerde berekening uit de berekeningsgeschiedenis

Je kunt de uitdrukking van een reeds uitgevoerde berekening kopiëren naar de bewerkingsbalk. Selecteer hiervoor de uitdrukking van deze berekening met behulp van de richtingtoetsen en druk op ok. De uitdrukking van de berekening wordt nu weergegeven in de bewerkingsbalk onderin het scherm.

Een regel in de geschiedenis verwijderen

Om een regel in de geschiedenis te verwijderen gebruik je de richtingtoetsen om een item uit deze regel te selecteren en druk je op del.

Om de hele geschiedenis te wissen, selecteer je een item in de geschiedenis met de richtingtoetsen en gebruik je de clear functie (shift dan del).

Het uitvoeren van berekeningen met complexe getallen

De complexe notatie van de resultaten kiezen

De resultaten kunnen in algebraïsche of polaire notatie worden weergegeven (kies “reëel” om de resultaten te forceren reëel te zijn). Dit kun je aanpassen in de Instellingen ATTENTION -> doesn’t look right %>).

In algebraïsche notatie zal de berekening van 1\sqrt{-1} het resultaat ii opleveren. In polaire notatie zal de berekening van 1\sqrt{-1} het resultaat e1.570796ie^{1.570796*i} opleveren. In reële vorm zal de berekening van 1\sqrt{-1} het resultaat “onwerkelijk” geven.

In de polaire notitie wordt de hoek in de exponentiële vorm altijd gegeven in radialen, zelfs als de rekenmachine in graden-stand staat.

Een uitdrukking met complexe getallen berekenen

Je kunt zowel berekeningen uitvoeren met complexe getallen als met reële getallen. Complexe getallen kunnen in algebraïsche of polaire notitie worden ingevoerd.

Bijvoorbeeld: als je i+eiπ2i+e^{i*\frac{\pi}{2}} typt, is het resultaat 2i2i als de rekenmachine in algebraïsche stand is en 2eiπ22e^{i*\frac{\pi}{2}} als de rekenmachine in polaire stand is.

Absolute waarde, argument, reëel deel, imaginair deel, geconjugeerde

Je kunt deze waarden berekenen met behulp van de sneltoetsen die beschikbaar zijn in het gedeelte Complexe getallen van het menu Toolbox waartoe je toegang hebt als je op de toets toolbox drukt.

Je kunt de functies waarmee deze waarden worden berekend ook handmatig invoeren. In de volgende lijst staan de syntaxen van de corresponderende functies:

  • Absolute waarde: abs(z)
  • Argument: arg(z)
  • Reëel deel: re(z)
  • Imaginair deel: im(z)
  • Geconjugeerde: conj(z)

Berekeningen met matrices uitvoeren

Een matrix typen met behulp van het toetsenbord

Om een matrix te typen in de bewerkingsbalk onderaan het scherm, gebruik je de haakjes [en ], toegankelijk door op shift te drukken en vervolgens op exp of ln.

Typ bijvoorbeeld [[1,0][0,1]] om een grootte 2 identiteitsmatrix in te voeren:

[10 01]\left[\begin{array}{cc}1 & 0 \\\ 0 & 1 \end{array}\right]

Wanneer je op ok drukt, zie je je matrix met de juiste opmaak in de berekeningsgeschiedenis verschijnen.

Het kan nuttig zijn om matrices in variabelen op te slaan. Om dit te doen, voer je je matrix in en gebruik je de functie sto → (door op shift te drukken en vervolgens op pow). Typ vervolgens de naam van de gewenste variabele en druk op exe. Bijvoorbeeld, om de grootte 2 identiteitsmatrix in variabele M1 op te slaan, typ je [[1,0][0,1]]. → M1 en druk je vervolgens op exe.

Om een hoofdletter te maken druk je op shift en vervolgens op alpha en druk je op de toets met de gewenste letter.

Berekeningen uitvoeren

Je kunt berekeningen tussen verschillende matrices uitvoeren:

  • Optellen van twee matrices: M1+M2
  • Aftrekken van twee matrices: M1-M2
  • Vermenigvuldigen van twee matrices (matrixproduct): M1*M2.
  • Delen van twee matrices (omgekeerde vermenigvuldiging): M1/M2 (komt overeen met M1M21M1*M2^{-1})

Je kunt ook berekeningen uitvoeren tussen een getal en een matrix:

  • Vermenigvuldigen van een matrix met een scalair: 4*M1
  • Macht van een matrix: M1^5

Inverse, determinant, getransponeerde, spoor, grootte

Je kunt deze waarden berekenen met behulp van de sneltoetsen die beschikbaar zijn in het gedeelte Matrix van het menu Toolbox waartoe je toegang hebt als je op de toets toolbox drukt.

Je kunt de functies waarmee deze waarden worden berekend ook handmatig invoeren. In de volgende lijst staan de syntaxen van de corresponderende functies:

  • Inverse: inverse(M)
  • Determinant: det(M)
  • Getransponeerde: transpose(M)
  • Spoor: trace(M)
  • Grootte: dim(M)