Wanneer een berekening is uitgevoerd wordt deze onderaan de berekeningsgeschiedenis weergegeven. In de betreffende geschiedenis-regel zie je linksboven de berekening die je hebt ingevoerd en rechtsonder het resultaat. Het exacte resultaat wordt in het zwart weergegeven, terwijl het numerieke resultaat bij benadering in het grijs wordt weergegeven.
Input met decimale getallen geeft ook exacte resultaten. Selecteer het decimale resultaat om het exacte resultaat weer te geven.
Voor een betere leesbaarheid wordt het resultaat van een berekening met een decimaal getal altijd in decimale vorm gegeven: geeft , terwijl geeft .
Je kunt het exacte resultaat van de berekening die je zojuist hebt uitgevoerd gebruiken in de uitdrukking van een nieuwe berekening. Druk hiervoor op ans. De uitdrukking ans
wordt dan weergegeven in de bewerkingsregel en vertegenwoordigd het resultaat van de vorige berekening. Je kunt op dit resultaat wiskundige bewerkingen uitvoeren.
Om een vorig resultaat naar de bewerkingsbalk te kopiëren selecteer je met de richtingtoetsen het resultaat dat je wilt gebruiken (exact of bij benadering) en druk je op ok. Het resultaat wordt vervolgens weergegeven in de bewerkingsbalk onderin het scherm.
Je kunt de uitdrukking van een reeds uitgevoerde berekening kopiëren naar de bewerkingsbalk. Selecteer hiervoor de uitdrukking van deze berekening met behulp van de richtingtoetsen en druk op ok. De uitdrukking van de berekening wordt nu weergegeven in de bewerkingsbalk onderin het scherm.
Om een regel in de geschiedenis te verwijderen gebruik je de richtingtoetsen om een item uit deze regel te selecteren en druk je op del.
Om de hele geschiedenis te wissen, selecteer je een item in de geschiedenis met de richtingtoetsen en gebruik je de clear functie (shift dan del).
Het is mogelijk om in de berekeningsgeschiedenis te gaan om aanvullende informatie over het resultaat van bepaalde berekeningen te tonen. Als je naar een berekening gaat en er verschijnen drie puntjes rechts van de berekening, dan zijn er aanvullende resultaten beschikbaar. Selecteer de drie puntjes en druk op ok om de aanvullende resultaten weer te geven.
sin(x)
of cos(x)
is, geeft de rekenmachine de volgende aanvullende resultaten: hoek, waarde van de cosinus en sinus en een voorstelling van de goniometrische cirkel.De resultaten kunnen in algebraïsche of polaire notatie worden weergegeven (kies “reëel” om de resultaten te forceren reëel te zijn). Dit kun je aanpassen in de [Instellingen]( p(“hulpmiddelen/gebruikshandleiding/instellingen”) applicatie.
In algebraïsche notatie zal de berekening van het resultaat opleveren. In polaire notatie zal de berekening van het resultaat opleveren. In reële vorm zal de berekening van het resultaat “onwerkelijk” geven.
In de polaire notitie wordt de hoek in de exponentiële vorm altijd gegeven in radialen, zelfs als de rekenmachine in graden-stand staat.
Je kunt zowel berekeningen uitvoeren met complexe getallen als met reële getallen. Complexe getallen kunnen in algebraïsche of polaire notitie worden ingevoerd.
Bijvoorbeeld: als je typt, is het resultaat als de rekenmachine in algebraïsche stand is en als de rekenmachine in polaire stand is.
Je kunt deze waarden berekenen met behulp van de sneltoetsen die beschikbaar zijn in het gedeelte Complexe getallen van het menu Toolbox waartoe je toegang hebt als je op de toets toolbox drukt.
Je kunt de functies waarmee deze waarden worden berekend ook handmatig invoeren. In de volgende lijst staan de syntaxen van de corresponderende functies:
abs(z)
arg(z)
re(z)
im(z)
conj(z)
Om een matrix te typen in de bewerkingsbalk onderaan het scherm, gebruik je de haakjes [
en ]
, toegankelijk door op shift te drukken en vervolgens op exp of ln.
Typ bijvoorbeeld [[1,0][0,1]]
om een grootte 2 identiteitsmatrix in te voeren:
Wanneer je op ok drukt, zie je je matrix met de juiste opmaak in de berekeningsgeschiedenis verschijnen.
Het kan nuttig zijn om matrices in variabelen op te slaan. Om dit te doen, voer je je matrix in en gebruik je de functie sto → (door op shift te drukken en vervolgens op pow). Typ vervolgens de naam van de gewenste variabele en druk op exe. Bijvoorbeeld, om de grootte 2 identiteitsmatrix in variabele M1 op te slaan, typ je [[1,0][0,1]]. → M1
en druk je vervolgens op exe.
Om een hoofdletter te maken druk je op shift en vervolgens op alpha en druk je op de toets met de gewenste letter.
Je kunt berekeningen tussen verschillende matrices uitvoeren:
M1+M2
M1-M2
M1*M2
.M1/M2
(komt overeen met )Je kunt ook berekeningen uitvoeren tussen een getal en een matrix:
4*M1
M1^5
Je kunt deze waarden berekenen met behulp van de sneltoetsen die beschikbaar zijn in het gedeelte Matrix van het menu Toolbox waartoe je toegang hebt als je op de toets toolbox drukt.
Je kunt de functies waarmee deze waarden worden berekend ook handmatig invoeren. In de volgende lijst staan de syntaxen van de corresponderende functies:
inverse(M)
det(M)
transpose(M)
trace(M)
dim(M)
Je kunt een berekening uitvoeren met behulp van eenheden. Alle eenheden worden voorafgegaan door het teken _
en de symbolen die voor de eenheden worden gebruikt zijn die van het Internationaal Stelsel van Eenheden.
Om bijvoorbeeld de som van 30 centimeter en 1 meter te berekenen, typ je 30_cm+1_m
. De rekenmachine geeft dan het resultaat met de meest geschikte eenheid.
De lijst met bruikbare eenheden is beschikbaar in de sectie Eenheden van het Toolbox-menu dat toegankelijk is via de toets toolbox.
Om eenheden om te zetten, gebruik je de pijl op het toetsenbord die toegankelijk is via shift en vervolgens pow. Om bijvoorbeeld 185 minuten naar uren om te zetten, typ je: 185_min→_h`.