Interview met Maarten Müller

Een grote fan van wiskundemethodes is hij niet, gepassioneerd over het wiskunde curriculum zeer zeker wel. Maarten Müller vertelde ons met veel enthousiasme over zijn ervaringen als wiskundedocent en daarnaast ook als trainer Formatief Toetsen voor De Onderwijzer en deelnemer aan het curriculum.nu ontwikkelprogramma. We bedanken hem dan ook graag voor het delen van zijn inzichten met ons!

Laten we bij het begin beginnen, hoe lang ben je al wiskunde docent?

Ik sta nu sinds het afronden van mijn opleiding voor het 14e jaar voor de klas. Na mijn VWO heb ik een technische wiskunde opleiding gedaan. Toen ik die had afgerond heb ik ook nog een opleiding tot gymdocent (de ALO) gevolgd. Bij aanvang van die technische wiskunde opleiding was het al wel mijn plan om wiskundedocent te worden. Maar ik had juist voor die technische opleiding gekozen om ook wat meer andere dingen te zien. Al met al kan ik wel zeggen dat ik ook nu dezelfde keuze zou maken.

Waarom koos je uiteindelijk voor wiskunde?

Zes jaar lang heb ik zowel gym als wiskunde gegeven, maar op een gegeven moment moet je toch een keuze maken. En die keuze wordt ook wel een beetje voor je gemaakt aangezien er een groot tekort is aan wiskundedocenten. Daarnaast heb ik het idee dat er binnen het wiskundeonderwijs nog veel verbeterd kan worden.

Ik ben namelijk niet zo enthousiast over de methodes, in ieder geval niet wanneer je ze inzet zonder zelf kritisch te zijn op de inhoud. Op dit moment schrijf ik ook mee aan een wiskundemethode en verzorg ik scholingen via De Onderwijzer over Formatief Toetsen aan docenten van andere scholen. Verder vind ik het ook erg leuk om me bezig te houden met het curriculum en heb ik meegedaan aan curriculum.nu.

Tot wat voor inzichten ben je gekomen door curriculum.nu?

Je krijgt veel meer inzicht in de samenhang tussen alle verschillende onderwerpen. Ik ben bijvoorbeeld heel anders gaan kijken naar het gebruik van ICT in de lessen. De balans tussen de wiskundeles en de wiskunde in de praktijk is eigenlijk compleet zoek. Datgene wat in de lessen aan bod komt wordt in de praktijk allemaal door ICT overgenomen. En het zijn eigenlijk hele andere zaken die gevraagd worden van een wiskundige dan het uitvoeren van die berekeningen.

Het is wel logisch dat als je ergens op gaat trainen dat je dat niet altijd in een wedstrijd-echte situatie doet, om het maar even zo te zeggen. Voetballers trainen ook niet alleen maar door wedstrijdjes te spelen. Maar het ligt wel heel ver uit elkaar. Het zou daarom goed zijn dat kinderen ook wat meer de lespraktijk ervaren van hoe wiskunde in het echt gaat. Daar heeft ICT een behoorlijk grote rol in. Daarmee kan je meer richten op probleemoplossende vaardigheden en wiskunde creatief inzetten, met meer aandacht voor wat je wanneer moet doen en minder aandacht voor het uitvoeren van stappenplannen.

Kun je een voorbeeld noemen van hoe je de praktijk meer kan integreren in de wiskundeles?

Groot verschil tussen de praktijk en de wiskundeles is dat je in de praktijk vaak te maken hebt met een overschot of juist een tekort aan informatie en meer open vragen. Je zou eigenlijk willen dat leerlingen af en toe aan grotere opdrachten kunnen werken met wiskundig modelleren zoals dat dan heet. Het probleem is dat wiskundedocenten vrij weinig tijd ervaren hiervoor. Dus moet je eerst kijken hoe je tijd kan vrijspelen.

De tijd die we hebben met leerlingen is redelijk beperkt, maar je hebt nog best wel wat mogelijkheden om keuzes te maken. Als je de methode van kaft tot kaft volgt, dan zitten al je lessen vol en kom je zelfs bijna tijd tekort. Je kunt wel ruimte creëren door op een kritische manier met het boek om te gaan. Belangrijk daarvoor is dat je eerst onafhankelijk van de methode weet wat nou precies de doelen zijn. Daar kan je vervolgens op inspelen en de ruimte die vrijkomt kan je dan invullen met open opdrachten die beter aansluiten bij wiskunde in de praktijk.

Wat is jouw mooiste herinnering als wiskundedocent?

Tsja, even denken… Het zijn vooral leerlingen die ik dan in gedachten heb. Wat ik nog weet van 3,5 jaar geleden is een leerling die eindeloos heeft geworsteld met wiskunde, tot huilens toe, dat ik die uiteindelijk mocht vertellen dat ze toch nog op een zes was uitgekomen als einduitslag. Die heeft mij toen spontaan omhelst. Dat zijn de mooiste momenten wanneer je merkt dat leerlingen jaar in jaar uit ergens moeite voor hebben gedaan, niet hebben opgegeven, en dat dan uiteindelijk de dingen op z’n plek zijn gevallen en er een mooi resultaat uit is gekomen.

Wat zou jouw gouden tip zijn voor je collega’s?

Even kijken of ik dat beknopt kan beschrijven… Mijn tip is niet iets wat je even snel kunt inzetten. Maar het gaat er om dat je moet proberen om je boek als naslagwerk te gebruiken en zelf goed zicht te krijgen op wat er wel en niet moet.

En dat ook voor de leerlingen zo zichtbaar mogelijk te maken, dat is echt een belangrijke toevoeging. Zij moeten weten wat ze wel en niet moeten kunnen. Dat leert ook veel prettiger wanneer je het lokaal uitloopt met het gevoel dat je begrepen hebt wat je in die les moest begrijpen. Dat is prettiger dan alleen maar weten dat je door het boek heen moet en dan op de toets zien of je het hebt begrepen.

Als je de NumWorks zou moeten beschrijven in één woord, welk woord zou dat zijn?

Lastig.. Maar dat is niet het woord. Ik denk dat het woord gaat woorden: gebruiksvriendelijk. Toen ik de NumWorks kreeg heb ik me bewust voorgenomen om er geen handleiding bij te pakken. En zonder handleiding kon eigenlijk alles direct vinden. Terwijl ik daar bij andere grafische rekenmachines echt wel meer voor moest zoeken. Zo kijken we met de hele sectie eerst kort en zonder handleiding of we de belangrijkste zaken kunnen vinden. En vervolgens kijken we nog een tijd intensief of het apparaat echt aan de verwachtingen voldoet.